Ciclovía

Elke zondag gebeurt er iets verbazingwekkends in Bogotà.



Hiermee wil ik niet de indruk wekken dat er op andere dagen, op andere seconden géén verbazingwekkende dingen gebeuren in Bogotà. 
Wel, integendeel. 


Het is...
...met haar 15 miljoen habitanten, haar onmogelijke verkeersopstoppingen, haar falende bussysteem, haar volgepropte voertuigen (waar verlopen vijftigers een micro uit hun mouw toveren en met een beatbox rond de buik gegespt een liedje beginnen te zingen in de hoop op een nikkel), met haar waanzinnige en levensgevaarlijke drugswijk (op 3 straten van het presidentieel paleis en vlak naast een grijnzende politiekazerne), haar labiele klimaat (waardoor je altijd een jas meemoet), haar variatie in sociale klassen en haar belang van opsmuk en presence, haar veelkleurige bewoners, haar veelkleurige wijken, haar jammerlijke gebrek aan toeristische bezienswaardigheden, haar buurten vol automechaniekers, haar buurten vol tweedehandsschoenen, haar buurten vol gepikte dingen, haar buurten vol Mariachi’s (op grauwe stoepen die je kan contrateren ter ere van huwelijksaanzoeken of om het terug goed te maken met je lief), haar buurten vol motels, haar buurten vol winkels (waar je blousjes van de Rode Duivels met de naam E. Hazard kan laten namaken voor een appel en een ei en met behulp van Google images)...

...een ratjetoe van verbazingwekkende dingen.

Tijdens de week lijkt Bogotà op de gigantische truck uit Mad Max: Fury Road. Met dingen die vermoedelijk van van jou zijn, stomend en verroest voortrazend, doordenderend naar god-weet-waar, terwijl jij er op je blote voeten zo maar wat achteraan ploetert, meer uit plichtsbesef dan in de realistische hoop het vehikel goed te kunnen aanschouwen, laat staan in te halen, laat staan op te eisen wat van jou is of zou kunnen zijn.

Bogotà mist heel veel. Velen willen hier eigenlijk liever niet zijn. Het is een fascinerende, lelijke, onoverzichtelijke, mooie, grauwe stad.

Maar op zondag komt er iets tot stilstand, en krijgen de rolschaatsen, de fietsen, de loopschoenen, de skateboarden vrij spel. Eventjes.

Het zit ‘m zo. Al 40 jaar sluit Bogotà op zondag een heleboel cruciale verkeersassen grotendeels af voor auto’s en gemotoriseerde voertuigen, waardoor over 125 km lang ongeveer een miljoen rollos wandelend, fietsend, skatend, joggend of rolschaatsend een frisse neus gaan halen.



De Bogotaanse Ciclovía.

Als een collectieve zucht die ontsnapt.

En hoewel ik hier vermoedelijk dreig al te lyrisch te worden (en té is nooit goed): het lijkt alsof de straten van Bogotà zich op die zondagen transformeren in een spetterende combinatie van een gigantisch straatfeest en een dynamische marathon, hierbij een energie genererend die de straten doet vibreren, buurten en wijken bruisend overstroomt en die, zeker als de zon ook nog even meespeelt, maakt dat je stomweg niet anders kan dan met een kilometersbrede en haast zwakzinnige glimlach door de menigte laveren.

Kruispunten waar enkele auto’s noodgedwongen mogen passeren, worden vakkundig in goede banen geleid door toffe jongeren met een fluo hesje en die plakaten met “stop” of “siga”omdraaien.

Tegen muren vol graffiti proberen Kuna Indianen hun veelkleurige parafernalia kwijt te geraken. Spuwende zwervers en mompelende daklozen dolen kriskras tussen de zonnebrillen, de zweetdruppels en de carbonnen fietsen door.


Op pleinen en in parken worden, omdat we het waard zijn, aerobics klassen op uptempo muziek georganiseerd. Waarbij een heleboel volgelingen, zowel volslanke huisvrouwen, bijna-oma’s als jonge vaders-met- kleuter en oogverblindende fluomeisjes de pasjes en oefeningen van de enthousiasteling op het podium even enthouisast proberen te coveren. En terwijl er zo ijverig zwetend in de lucht geslagen, gebokst en getrapt wordt, lacht iedereen. Soms zelfs open en bloot.



Naast die evenementen staat doorgaans een schare tentjes waar vers geperst sinaasappelsap, fruitsla en een occasionele appelflap aangeboden worden. 

Met, in het geval van het Parque Nacional, daarnaast een oude communist met een schuine Ché-pet over zijn grijze manen gesjord, die zijn Cubaanse strijdleuzen en Colombiaanse kritieken op metershoge plastieken flappen aan zijn fiets gemonteerd heeft. En die wat graag een praatje slaat met een Belg (in een bezweet t-shirt van het -kapitalistische- Stimorol) om zijn meningen te verhelderen en zelfs aandringt op een foto. Maar het anderzijds ook ook niet aan zijn hart lijkt te laten komen als geen haan naar zijn aanwezigheid noch zijn soms een tikkeltje gedateerde boodschappen kraait.

Op bermen ruikt het naar barbecue. Een enkeling heeft zijn rommel uit de kelder opgediept (een blender uit de jaren 90, een kapotte radio, een verpluisde knuffelbeer en wat onbestemde metalen), voor z'n voordeur gegooid, en biedt ze- "je weet maar nooit met die passerende massa" – te koop aan. 

Alsof alles even mogelijk is.

In Bogotà gaan ze goed op fietsen dus over het ganse traject staan standjes waar je je fiets kan laten repareren. 

In Bogotà gaan ze ook goed op criminaliteit dus over het ganse traject staan militairen met hun duim omhoog. Sinds de vorige president, de lichtjes uit de bocht der oorlogsmisdaden gegane Alvaro Uribe het wegennetwerk in het grootste deel van het land weer min of meer veilig gemaakt heeft, is het de gewoonte dat militairen in het ganse land langs de weg met hun duim omhoog staan, waarmee ze willen zeggen “we zorgen voor  jullie”. Hetgeen een hele mooie emotie genereert als je hen passeert, alsof, ik weet niet, Yes We Can- iedereen effe Rode Duivel is, maar dan belangrijker, want omwille de transformatie, de verrijzenis, het omhoogstuwen van een gans land dat tot voor kort mondiaal uitgespuwt werd.

En hetgeen door mij altijd met een bijna-krop-in-de keel, half dichtgeknepen billen van emotie maar vooral met een enthousiaste dikke duim terug wordt beantwoord. 

Moet je horen: als ik op zondag door de straten fiets of jog voel ik dingen opborrelen die ik al sinds lang niet meer heb mogen voelen opborrelen. Het is op het randje van infantiel te noemen. Ik krijg zin om haasje over te spelen met koddige vrouwtjes die in dappere sportschoenen en wollen trainingsbroeken hun ochtendkilometers afstappen. Ik krijg zin om te fluiten of luidkeels mee te zingen met de muziek op m’n Ipod. 

Ik krijg zelfs zin om de plateau van limonadebekers van een straatventer omhoog te shotten, knal de lucht in, de plastieken bekers en hun zoete vocht een seconde onbeweeglijk hangend in de zonnestralen alvorens daarna neer te kletteren op het warme asfalt, want, en nu komt het, het lijkt wel alsof de enige reactie van de man op zo’n manoevre een brede glimlach en een omhooggestoken duim kan zijn.


Yep. De ciclovia op zondag in Bogotà zorgt ervoor dat de stad en haar inwoners er weer een weekje tegen kan. 


Born in a Crossfire Hurricane (English)


“What I’m asking myself is this: How would Mick Jagger feel after such a concert”

Juan Antonio, the taxi driver who is transporting me to the bus terminal, looked at me with old, weather worn eyes through the rear-view mirror.

I nodded. The special thing was that this was the exact same question that went through me, when I walked home yesterday after the concert of the Rolling Stones: how does Mick Jagger feel after giving a concert for 60.000 people in Lima. I said to Juan Antonio that this was the exact same question that I had, yesterday, wading through the nightly mass of people, trying to reach a cab to get back home, by which “home” meant a temporary bed in a (stuffed with 4 boisterous Ecuadorean drinking lads, all with porky faces, but this just by the way) shared dorm in a hostel in Miraflores.

Miraflores is a neighbourhood in Lima where, besides foreign passer-bys, also the most moneyed people live. Well-dressed-up fiftiers parade in brand clothing next to the seashore and show off with what they tend to own. Little dogs are wearing dresses and there are courts where fathers in white polo shirts play tennis with their sons and their I-phones on Sunday mornings. There are green parks that look like they have been picked out of Alice in Wonderland.

A beautiful, safe, gold-plated world.

In a mostly crazy metropolis, consisting mainly of sandy brackish hoods, thrown out over skimpy desert-like grounds full of slumps, where dust-swallowing inhabitants paint the names of the presidential candidates on the walls of their sheds, in exchange for a few cents and in the best case, a temporary illusion. 

One of the favourites for the upcoming presidency is Keiko Fuyimori. Her father is a former president of Peru during the nineties and currently sitting out a 14-year prison sentence thanks to some crazy terrors he implemented during his legacy. 

Like the forced sterilization of around 200 000 indigenous people.



Juan Antonio had picked me up at the street in front of the hostel, when I waved at him. “Don’t pay more than 15 soles for a taxi”, the friendly receptionist of the hostel warned me. I had flopped down my backpack at the backseat and we had started driving.

“Went to the concert, right?”, he asked me after a while. I nodded. A few weeks ago a noticed that the Rolling Stones were going to concert in Lima for their America Latina Olé Tour. A small decade ago, I experienced them in Belgium with my father. It had been a memorable evening and the overwhelming presence of Mick Jagger’s kicking ass was still somewhere in my retinas, though not burned.

Since in times like these, it is not profitable anymore to have your savings on a bank account, I decided to play it smart and invest my New Years money in the Stones in Lima. A, though I mention it here myself, very wise decision.

The concert, in the monumental stadium Estadio Monumental, had been a Strike, a Direct Hit, straight in the rose. Unfortunately, this could not be said about the access towards the spectacle, with crazy overturned traffic jams and, desperate honking and kilometre long improvised queues, of which the organisation assumed that these would organize themselves in calm and order, without instructions whatsoever, that the Invisible Hand of the Mass would regulate itself. Well, bummer.



The most expensive tickets (sold out in 50 minutes) were shamefully expensive (4 Peruvian minimum wages), the cheapest still very expensive.








Mick Jagger, with his 71 springs of age, jumped around like a young foal in a too-short T-shirt and crowing like a rooster used to be the number one.












Keith Richards, like always chuckling from out of (one or) another universe, dressed up in something I can express the best as a “blinking coat with tail”, kicked out the guitar licks in the loony enthusiastic crowd like serpentines. Ron Wood presented himself in the cloths and the red sneakers of his hipster- grandson and was His Bonkers Self. And Charlie Watts (neutral shirt, neutral pants) at last, with his stiff smile, expressed the “well hell yeah” emotion, like he already wanted to disassociate in the sixties from this cracked up scum, but that now it was way too late, and that he could afford just enough respect for humanity and the world to take his responsibility as The Drummer of The Stones to not unnecessarily destroy the party.

So, a tremendous success. 60 000 Peruvians and specially flown over Ecuadorians and the occasional foreign passer-by. Simply. Went. Nuts. Man.



“No, I don’t know if I would like to swap places with him”, Juan said.

“It must be a hard life. This Mick Jagger, he gets recognized simply everywhere. Can not even cross the street or gets clamped for autographs and photos and so on. How can you stay friendly that way? I totally do understand that such famous people now and then get angry, annoyed and thick-headed. They also have the right on a normal life, right? No, I don’t know if I would like to swap places with him”, Juan said. “For 2 weeks maybe. Yeah, for 2 weeks. Not any longer”

We had been chatting for around a quarter about the Rolling Stones in his cab. Juan knew loads of stuff about the group. He told me that Mick and Keith at the end of the sixties had been kicked out twice of an exclusive, super expensive hotel in Lima, thanks to loony behaviour and shenanigans, like heavy drug use and strolling down the streets naked. “Just after their former guitarist, Brian Jones, had died”. He kept throwing anecdotes in the air. He liked the Stones a lot. Had been following them for almost all their career, and had a friend that had almost all their records.

“It was the first time they gave a concert in Peru”, he said. “And probably the last time”, I said. Because though Mick Jagger with his swirling body from a distance still looks like a 18-year old, they ain’t gettin no younger. Nobody does.



“Probably they won’t have to do it for the money anymore”, Juan said. “No, indeed”, I said. “Maybe it’s more out of passion for the music”, I said, while I looked out of the window at the busy pavement full of people. Looked like the working day for the offices in Lima was done. “Mja”, said Juan. “I bet they earn a lot for an evening like this”, I said. “Mja”, said Juan. “Absurd”, I said. “Mja”, said Juan. After that, the both of us kept quiet for a moment.

He told me that Peruvian society is a very rough class-society, that a friend of him who works in a restaurant in Miraflores sometimes witnesses couples paying 1000 dollar for a bottle of red wine, and that for a long time he simply could not believe this. And that everybody wants to be as white as possible. And that there is a lot of racism in Peru.

“Absurd”, I said.

The first and the last concert of the Rolling Stones in Peru. Juan Antonio, light-brown skin and pure friendliness, fan since the beginning with an almost encyclopaedic knowledge of the band, driving around in a taxi in Lima, from out of Miraflores, straight through the class- society, with a Belgian passer-by.

I had assumed that he also had attended the concert, as he was die-hard Stones fan.

But the tickets had been too expensive.

Tips won’t solve this problem.


Sometimes you can only shake people’s hands.



Born in a Crossfire Hurricane


“Wat ik me afvraag, is hoe Mick Jagger zich voelt na zo’n concert”

Juan Antonio, de taxichauffeur die me naar de busterminal bracht, keek me met verweerde, oude ogen door de achteruitkijkspiegel aan.

Ik knikte. Het speciale was dat dit exact dezelfde vraag was die door mij ging, toen ik gisteren naar huis wandelde na het concert van de Rolling Stones. Hoe voelt Mick Jagger zich na  een concert voor 60 000 mensen in Lima. Ik zei aan Juan Antonio dat dit exact dezelfde vraag was die ik had, gisteren dus, in de nachtelijke mensenzee, trachtend een taxi te bemachtigen om weer thuis te geraken, waarbij thuis een tijdelijk bed in een (met 4 luidruchtige Ecuadoriaanse drinkebroer- Stones fans, allen met varkenskopjes, doch dit terzijde) gedeelde kamer in een hostel in Miraflores was.

Miraflores is een buurt in Lima waar, naast de buitenlandse passanten, ook de meest begoede mensen wonen. Opgedirkte vijftigers flaneren er in merkkledij langs de kustlijn en pronken met wat ze zoal bezitten. Hondjes dragen er kleedjes en er zijn tennisvelden waar vaders in witte polos met hun zonen en hun I-phones op ochtenden gaan tennissen. Er zijn groene parken die uit Alice in Wonderland lijken te zijn geplukt. 
Een mooie, veilige, vergulde wereld.

In een doorgaans geschifte metropool, die voor het grootste deel uit zanderige brakke buurten bestaat, opgeworpen tegen schrale woestijngronden vol ellelange sloppenwijken, waar de inwoners stofhappend de namen van presidentskandidaten op hun krotten schilderen, in ruil voor wat centen en in het beste geval een tijdelijke illusie.

Een van de favorieten voor het nakende presidentsshap is Keiko Fuyimori. Haar vader was in de jaren 90  president en zit momenteel een viertienjarige gevangenisstraf uit wegens wandaden. Zoals het gedwongen steriliseren van ongeveer 200 000 Indigenas. 






Juan Antonio had me opgepikt aan het hostel toen ik hem toezwaaide. “Niet meer dan 15 soles betalen voor een taxi” had de beminnelijke recepcioniste van het hostel me op het hart gedrukt. Ik had m’n rugzak neergeploft op de achterbank en we waren beginnen te rijden.

“Naar het concert geweest?” vroeg hij na een poosje. Ik knikte. Ik had enkele weken geleden gezien dat de Rolling Stones gingen concerteren in Lima voor hun America Latina Olé Tour. Een kleine decenium geleden had ik hen in België met mijn vader meegemaakt. Het was een memorabele avond geweest en de baldadige presence van Mick Jagger’s kicking ass, stond nog steeds ergens op m’n netvlies, zij het niet gebrand. Omdat het in deze tijden niet meer loont geld op je spaarrekening te laten staan, had ik dan ook besloten eieren voor mijn geld te kiezen en mijn nieuwjaarspré in de Rolling Stones in Lima te investeren. 
Een, al zeg ik het zelf, uiterst wijze beslissing.

Het concert, in het monumentale stadion Estadio Monumental, was een voltreffer geweest. Hetgeen helaas niet gezegd kon worden van de toegang ertoe, met dolgedraaide files, wanhopig getoeter en kilometerslange geimproviseerde wachtrijen naar de respectievelijke tribunes, waarbij er door de organisatie gemakshalve van werd uitgegaan dat dit zonder instructies of hekken wel ordentelijk zou verlopen, dat de Onzichtbare Hand van de Mensenmassa zichzelf wel zou reguleren. Wel, mis poes. 

De duurste tickets (in 50 minuten uitverkocht) waren schandalig duur (4 Peruviaanse minimum maanlonen), de goedkoopste nog altijd heel duur.





Mick Jagger, 71 lentes jong, hostte in te korte t-shirt rond als een jong veulen en kraaide als een haan die het gewoon was de voorste te zijn. 


Keith Richards, gewoontegetrouw grijnzend vanuit een (of) ander universum, getooid iets wat ik nog het best kan omschrijven als een “blinkende mantel-met-staart”, keilde de gitaarriffs in de dolenthousiaste arena als serpentines. Ron Wood, uitgedost in de kleren en rode sportschoenen van zijn hipster-kleinzoon was zijn verknipte zelf. En Charlie Watts (neutrale T-shirt, neutrale broek) straalde met zijn stroeve glimlach de “ach ja- emotie” uit alsof hij zich eigenlijk al vanaf de jaren 60 had willen distancieren van dit gespuis maar dat het nu feestelijk te laat was, en hij nog net genoeg respect voor de menselijke soort/de wereld kon opbrengen om zijn verantwoordelijkheid te nemen als drummer van de Stones en zo de festiviteiten niet nodeloos in het gedrang te brengen.

Een succesnummer dus. 60 000 Peruvianen en hiervoor speciaal overgevlogen Ecuadoreanen en de ocasionele buitenlandse passant gingen. Gewoon. Uit. Hun. Dak. Man.


“Nee, ik weet niet of ik zou willen wisselen met hem”, zei Juan.

“Het moet geen makkelijk leven zijn. Die Mick Jagger, die wordt overal herkend. Kan niet over straat lopen of hij wordt aangeklampt voor handtekeningen en fotos en zo. Blijf dan nog maar eens vriendelijk. Ik begrijp best dat zo’n bekende mensen dan soms agressief of bot worden, zelfs tegen hun fans. Zij hebben toch ook recht op een normaal leven. Nee, ik weet niet of ik zou willen wisselen met hem”, zei Juan. “Voor 2 weken, misschien. Ja, voor 2 weken. Niet langer.”

We hadden al zo’n kwartier liggen babbelen over de Rolling Stones in de taxi. Juan bleek enorm veel te weten over de groep. Hij vertelde me dat Mick en Keith eind jaren zestig tot twee maal toe uit een peperduur hotel in Lima getrapt waren wegens schabouwelijk gedrag, waaronder druggebruik en naaktlopen. “Toen hun vorige gitarist, Brian Jones, net gestorven was”.  Hij reeg de anekdotes aan elkaar. Hij hield enorm van de Stones. Volgde hen al bijna heel hun carrière, en had een vriend die vrijwel alle platen bezat.

“Het was de eerste keer dat ze een concert in Peru gaven”, zei hij. “En waarschijnlijk de laatste keer”, zei ik. Want ook al ziet Mick Jagger er vanuit de verte met zijn kolkende lijf nog steeds 18 uit, ze worden er niet jonger op. Niemand trouwens.


“Ze moeten het waarschijnlijk niet meer voor het geld doen”, zei Juan. “Nee, inderdaad” zei ik. “Misschien is het eerder vanuit een passie voor muziek”, zei ik, terwijl ik uit het raam keek naar de drukke voetpaden vol mensen. Het leek alsof de werkdag er voor de kantoren in Lima opzat. “Mja”, zei Juan. “Ze zullen wel veel verdienen voor zo’n avondje”, zei ik. “Mja”, zei Juan. “Absurd”, zei ik. “Mja”, zei Juan. Daarna zwegen we allebei.

Hij vertelde me dat de maatschappij in Peru een keiharde klassenmaatschappij is, dat een vriend van hem die in een restaurant in Miraflores werkt soms koppels 1000 dollar ziet betalen voor een fles rode wijn, en dat hij dat lange tijd niet kon geloven. En dat iedereen zo blank mogelijk wil zijn. Er dat er heel veel rascisme is in Peru.  

“Absurd”, zei ik.

Het eerste en laatste concert van de Rolling Stones in Peru. Juan Antonio, lichbruine huid, de minzaamheid  zelve, fan van het eerste uur met een haast encyclopedische kennis van de band, die een taxi rondreed in Lima, vanuit Miraflores, doorheen de klassenmaatschappij, met een Belgische passant, een Belgische flaneur.

Ik had aangenomen dat hij ook naar het concert gegaan was, als rasechte Stones fan.

Maar de tickets waren te duur geweest.

Fooien lossen dit niet op.


Soms kun je alleen maar mensen de hand schudden. 


Hanen en strottenhoofden

In wat volgt ga ik trachten niet te oordelen. Ik weet niet of ik er in zal lukken. Noem het een intentieverklaring. 


Uitstel van oordeel is nochtans belangrijk, zeker in tijden als deze, waarin ISIS fundamentalisten Parijs naar de haantjes knallen, de paus een cd uitbrengt en Cristiano Ronaldo een hotelketen met de naam CR7 lanceert. Ieder zijn meug.

Een poosje geleden mocht ik getuige zijn hoe het bruto nationaal product van Colombia in de vorm van oorverdovend en exuberant vuurwerk in een koloniaal stadje in de lucht geschoten werd. Dit tot jolijt van de in grote getale aangelopen goegemeente, waarbij een prettig beschonken mede-bewonderaar het een lollig idee scheen om de op til zijnde boem steeds luidkeels te voorspellen. “Boem!” alsof hij de dirigent van dit spektakel was, “boem!” de pretlichjes in zijn ogen schoten de lucht in, “boem”, tijdens een spektakel dat door sommigen als ‘spilziek’ zou kunnen worden omschreven, vooral in tijden als deze.

Nog een poosje geleden bevond ik me aan de pacifische kust samen met 2 vrienden, waarvan 1 Duitser.



(Ik weet eigenlijk niet waarom ik dat zeg, dat van die Duitser. Niet meteen relevant.  Mocht hij er  staatsgevaarlijke,  fascistische ideeen op nahouden ofzo, rondwadend in een T-shirt waarop in het groot “the holocaust did NOT happen” ofzo stond, of af en toe met een lichte grijns dingen langs zijn neus weg opperen in de trant van “af en toe een beetje fysisch geweld ten aanzien van vrouwen toch heus niet...” )


Nee, zelfs in dat geval zou zijn Duitse nationaliteit nog niet relevant zijn.  Bovenste beste kerel, mijn (Duitse) vriend.

Bon,  met een Duitse en een (bovenste beste) Colombiaanse vriend dus, bevond ik me aan de  meest onder-ontwikkelde kust van Colombia, te weten: de pacifische. In Puerto Buenaventura meerbepaald, zo ongeveer de meest westelijke stad van Colombia. De veelal Afro-populatie hier doet vooral dienst als quantité negligable voor de Pafferige Club van Bogota, maar de strategische ligging van het oord maakt het tot Colombia’s belangrijkste toevoerhaven voor Chinese import. Helaas wordt dit laatste niet zelden vertaald in commerciele bagger en een toevloed van overbodig namaak-niks. Spullen die aangeprijsd worden als zijnde levensnoodzakeiljk en onontbeerlijk als je ook maar een beetje in de buurt van Zoiets Als Levenskwaliteit wenst te komen. Zeker bij vatbare en kansarme jeugd, zonder job en met teveel TV.


Zoals basketschoenen van Michael Jordan, in het geval van Juan Carlos, de vissende Afro-Latino tiener die ons verblijf aan de kust van Buenaventura met zijn soms een tikkeltje dwingende aanwezigheid verblijdde. Hij stotterde, wilde zanger worden, en studeren ook wel, maar was evenwel op onregelmatige tijdstippen visser tegen een minimumloon, toonde ons zijn geschroeide handpalmen even trots als zijn stevige spieren, lachtte zijn tanden bloot als we zeiden dat we niet te best salsa konden dansen en Latina’s niet begrepen. En hij vroeg ons of we wilden bijdragen voor zijn nieuwe kortetermijn plan: Michael Jorden schoenen van Nike. Hij had al 15 euro gespaard, het ontbrak hem aan 30 euro om deze vlieger te kunnen latern opgaan. Toen we zeiden dat we er een nachtje over zouden slapen (30 gedeeld door 3, Pythagoras wist het al, is immers slechts 10).  Net zoals we zouden slapen over het feit dat de kust van Buenaventura voornamelijk bestond uit kilometerslange heuvels afval, petflessen, plastic troep en stronthout. Una mierda total, waarin de haan die ernaar moest kraaien allang verstikt lag (de pootjes uit de wurgende plastic zak stekend, verticaal de lucht in, het snaveltje bedekt met een olieachtige brei) werden we de volgende dag hoopvol verwelkomd door een meute kinderen die ons elk op hun manier hun jongste materiele dromen meedeelde en ons de sleutel gaf om die in vervulling te laten gaan.  Sja, iemand het antwoord?


Miss Colombia eventueel. Zij gaf tijdens de Miss Universe verkiezing alvast onverbloemd aan dat ze ingeval ze de mooiste van de wereld mocht zijn, haar stinkende best zou doen om een antwoord te bieden op de ellende van’ de kinderen van de wereld’. Mijn shakras zijn al voor minder opengegaan. Volgens de Colombiaanse presentatrices verdiende Miss Colombia het kroontje, omdat ze heel veel (en dit lieg ik niet) ‘zin had om te winnen’. Nou moe.  

Even leek het alsof ook haar droom in vervulling ging, en met haar die van een hele populatie Colombianen, opiumgewijs monddood gehouden door de immer werkende formule  van Brood en Spelen. Maar, wat bleek, de gringo-prestentator had de foute naam voorgelezen. De bleke Filipijnse bleek de mooiste. En, ook al schreeuwde de helft van het land moord en brand, en had Colombia nog wel zo veel zin gehad, en deed ze voor de kinderen en ook voor haar land enzo, daar bleef het bij. Sja, soms gaat dat zo. Soms blijft het erbij.

Waarna we, m’n (Duitse) vriend en ik, enkele dagen later in Perreira enkele nachtelijke uren gedood moesten zien te krijgen tussen 2 bussen door en we besloten een ommetje te maken langs het stadscentrum om te zien of het ons wat te bieden had, en zo ja: wat.


Wel nu, het bood ons voornamelijk drugs aan, in de vorm van een verlopen man met een grijze baard en een stinkend voetbalshirt in een steegje waarvan mijn (Duitse) vriend en ik meteen voelde dat het onpluis was. Toen mijn (Duitse) vriend op het genereuze aanbod van de Sinterklaas-junkie lachend repliceerde: “Nee, dankje, we zoeken enkel straf spul, heroine en zo” werd ik (die de mop dus niet eens gemaakt had) daana vastgegrepen door een zo mogelijk nog gedegenereerde-re compaan.  Zijn holle ogen leken aan te geven dat hij de ironie in het antwoord van m’n vriend niet meteen had begrepen. Sterker nog, in/uit zijn blik leek al het leven weggevloeid waardoor de zwarte leegte vol drugs, instinct en pijn die daarachter de dienst uitmaakte, zichtbaar werd.

Als je “een knie op een strottenhoofd duwen “ ook onder vastgrijpen classeert was het nog maar de tweede keer dat ik vastgegrepen werd in Latijns-Amerika in vijf jaar tijd, dus qua vastgrijp- statistieken kon en kan ik zeker niet klagen. Ik overwoog even mijn inboedel lankmoedig te overhandigen, zoals de Lonely Planet me geleerd had, maar dat leek me op één of andere manier te makkelijk.  Hem een dreun verkopen, dat was ook een optie, zij het een waarvoor ik met mijn ridicule dwerghandjes (die nog nooit iemand een dreun verkocht hadden) en hazenhart (dat waarschijnlijk zou imploderen van de spanning) liever bedankte. Dus zette ik het op een verbeten losrukken, waarbij er een eervolle vermelding  dient te gaan naar de peper die onze junk nog uit zijn schriele armen wist te krijgen. Maar eens eens de middenberm voorbij moest hij lossen en renden mijn Duitse vriend en ik zo snel mogelijk terug vanuit de NO-GO zone naar de GO zone, zo’n 100 meter verder. Clou van het verhaal: Stay off the drugs, kids.



Daags nadien zat ik op kerstavond met een lauwig pintje en mede- gringos op een plein in Medellin wat in het rond te loeren en halve meningen te verkondigen, waarbij ik op een dieper niveau in mezelf een zuchtje weemoed (al kon het ook deemoed geweest zijn) voelde, een verlangen naar de tijd waarin kerstavond nog iets vredigs, magisch en familiaal had, een vanzelfsprekende warme & lichtgevende woonboot in een donkere, koude zee ofzo. Na een poosje betrapte ik me erop dat ik met een Zwitser aan het praten was, die aangaf dat hij burn-out was. Dat maakte hem meteen de oprechtste Zwitser ooit ontmoet.

Hij had zijn eigen bedrijf en verdiende meer dan aardig wat poen, maar hij wilde niet meer werken, want hij was niet gelukkig. “Verkoop de keet”, suggereerde ik. “Mja” zei hij. “Hoeveel is het waard” vroeg ik. “2 miljoen”zei hij . “2 miljoen euro’s” vroeg ik. “Klopt”, zei hij. “Wel...”, zei ik. “Ja...” zei hij. “Dan heb je toch...opties...”zei ik. “Ja, maar ik ga er geen 2 voor krijgen”, zei hij, “misschien anderhalf, misschien”. “Nu, anderhalf is...misschien ook..nog wel oké”, zei ik. “Mja”, zei hij. “Maar...?” vroeg ik. “Maar wat dan?” zei hij. “Hoezo?”  vroeg ik. “Wat moet ik dàn doen”, vroeg hij, waarbij hij de klemtoon legde op het woord dan. “Mhm” zei ik. “Ik wéét het niet”, zei hij, waarbij hij de klemtoon legde op het woord weet. “Mhm, iets wat je graag doet”, suggereerde ik. “Zoals”, vroeg hij? “Ik weet niet”, zei ik, “ik ken je eigenlijk niet”. “Mja, ik weet niet”, zei hij. “Ik weet het gewoon écht niet”.

We keken wat rond, het plein over, tussen de kerstlichtjes in de palmbomen door, langs de opgetutte meisjes, trophee-wifes en pronkgringo’s, de afro- vuilnisoprapers, en de drugs-aanbieders, de lachende gezichten, de muzikanten, de salsa clubs.


En deden alsof er een kans bestond dat het antwoord daar ergens rondzweefde, voorbijzweefde. 


Wat we zouden kunnen zeggen over Bogotà

We zouden wel wat kunnen zeggen over Bogota.

Bijvoorbeeld dat het een geschifte stad is, met om en bij de 15 miljoen inhabitanten, de lui uit de periferie meegerekend. Het is de snelst groeiende stad van Latijns-Amerika en over een twintigtal jaar zullen er hier zo'n 38 miljoen monden gevoed moeten worden. Te veel, te groot om iets bij voor te stellen, uiteraard, dus misschien was de vorige zin een soort van non-zin, in de aard van " een waterdruppeltje bevat ongeveer 6000 triljoen atomen". 




Bijvoorbeeld dat het me niet zou verbazen mocht de burgemeester van Bogotà non-stop barstende koppijn hebben, Of een ernstig slaapprobleem. Nu ik er zo even over nadenk hoop ik eigenlijk dat hij een slaapprobleem heeft. Het omgekeerde (een contente, zorgeloze klaar- is- kees-slaap) zou voor een burgemeester van Bogota momenteel nog niet ethisch verantwoord zijn, want er is nog wel "wat werk".

Bijvoorbeeld dat het leven, net zoals het klimaat, hierheel hectisch is, op en af, tak tak tak, en dat het lijkt of het merendeel van de inwoners liever in een rustigere, warmere stad zou willen zijn, een stad met iets van structuur en tuinen 's avonds, maar dat Bogota nu eenmaal een conditio sine qua non is voor de Colombiaanse economie (en dus het leven), en men daarom zowel z'n eigen aanwezigheid als die van de monsterstad met de glimlach lijkt te gedogen, zelfs al impliceert dit dagelijks een uur of 2 een ansjovis-in-blik gevoel in het krankzinnige bussysteem.  



Bijvoorbeeld dat de sociale ongelijkheid hier voortdurend op de loer ligt, waar je ook kijkt, zodat je er bijna imuun voor wordt. Dat de hogere klasse het yuppie-dom tot religie verheven lijkt te hebben, en er dan ook geen makke graat in ziet om enkel naar exclusieve etablisementen te gaat om daar op z'n m'a tu vue's gewillig 6 euro neer te plengen voor een pintje, dat 2 straten verder nog geen euro kost. Rond de hogere sociale klasses ligt een kilometersdiepe kloof, hermetisch afgesloten en bewaakt door mannen in uniform en vrouwen met opgezette borsten. 

Bijvoorbeeld dat ik vandaag ook voor de eerste keer uitgescholden ben, hetgeen waar ook ter wereld een belevenis is, het vermelden waard.  Huevon, zo ongeveer het equivalent van "eikel". Zo noemde de gozer me. Dat kwam omdat ik met m'n fiets (die ik sinds kort hanteer om mobiel te zijn, tenminste mobieler dan in de eindeloze files en opstoppingen die de verkeersaderen van Bogota verstoppen) rakelings langs zijn opgedirkte verschijning laveerde, temeer omdat hij het fietspad blokeerde. Ieder zijn waarheid, uiteraard. 

Bijvoorbeeld dat de kans groot is dat wanneer je een flesje water koopt in een chaotisch kraampje langs de kant van de weg, de verkoopster je "mi amor" of "mi vida" noemt. Door een onbekende "mijn léven" genoemd worden, zelfs Etienne Vermeersch zou er van beginnen zweven. 

Bijvoorbeeld dat het niet ongebruikelijk is dat mensen je bedanken voor je komst naar Colombia. En als je hen dan zegt dat het omgekeerd is: nee! dat jij hen moet bedanken omdat je Colombia heel tof vindt en je je heel welkom voelt, ze je daar dan nog eens voor bedanken. 

Bijvoorbeeld dat er gisteren 'n sjofele Peruviaan met een baard en een stinkende lange parka, die leek te solliciteren voor 'Dakloze van het Jaar', in een park mijn leespartij onderbrak met de melding dat hij bestolen was toen hij zijn hotel uitkwam. We wisten uiteraard allebei dat dat een rasechte leugen was. Waarschijnlijk rookte hij zich de dag door op crack in lugubere parkjes, af en toe een ocasionele petfles uit de vuilbak vissend om die dan samen met de andere daklozen af te leveren aan een recylagepunt in ruil voor een bord soep. Maar omdat hij Peruviaan was en vriendelijk, besloot ik mee te gaan in deze illusie en met hem te colaboreren (zo vragen de daklozen dat vaak: of je met hen zou kunnen colaboreren, hetgeen als je er even bij stilstaat wel een mooie formulering is, alsof je investeert in iets, dat later iets oplevert voor de colaborateur, als partners van een bedrijf ofzo. Soit)

We (daarmee bedoel ik: ik) zouden ook nog kunnen zeggen dat ondanks het hectische leven hier en ondanks de scheldende gozer van zowel hierboven als op het fietspad, de Bogotanen (Bogotanezen?) net zoals heel Colombia, de verbluffende gave hebben om supervriendelijk en superrespectvol om te gaan met hun medemensen, waarbij er slag om stoot tanden bloot gelachen worden.  En dat dit een ambiente creeërt die deugd doet, en die de files, het getoeter, het gedrum, de glazige ogen van de dakloze of het geparfumeerde roze hemd van de fils-a-papa ruimschoots overstijgt. 

Ja, we zouden wel wat kunnen zeggen over Bogotà. 








Op het strand enzo

Vandaag heb ik de negende aflevering van Narcos gezien. Pablo Escobar bouwt hierin zijn eigen gevangenis om van daaruit heel Colombia naar de knoppen te helpen en ontiegelijk veel families kapot te maken. 

De makers van deze serie vroegen aan een vriend uit Bogota of ze zijn antieke camionette mochten huren als decorstuk en boden hem hiervoor een waanzinnig bedrag, maar hij sloeg dit aanbod af. Een camionette voor het romantiseren/commercialiseren van een drugsoorlog die het land verscheurde (en blijft verscheuren) omdat rijke yuppies in het westen zo nodig coke willen snuiven? Er waren andere dingen om de wereld te tonen. En ook al is zijn camionette divino, in een serie over la Mierda Colombiana wordt alles lelijk, wordt alles verdacht. 

Vandaag het ik ook het stand van Tumaco gezien, tijdens het lopen. Op een gegeven moment dook vanuit de duinen een jongeman met een geweer op, volgens mij een soldaat of een politieagent, maar het kan ook een paramilitair geweest zijn, want de FARC- guerrilla's (volg je nog?) zwaaien hier de plak, Tumaco is een eiland dat strategisch belangrijk is voor de coke-business en daarom een strijdtoneel wordt voor de voorgenoemde stakeholders. 

Hij zei me dat ik moest terugkeren. 

Toen pas merkte ik dat ik door een soort van mini barricade was gejogd. En ofschoon ik er het fijne uiteraard niet van begreep (het strand vóór de barricade was identiek aan het strand na de barricade) vatte ik wel dat ik me zo ergens op de absurde grens tussen een go- en een no-go zone bevond. Op het strand. 

En omdat ik geneigd ben knapen met een machinegeweren op stranden te gehoorzamen, knikte ik vriendelijk en liep terug richting de rotsen. 

Vandaag heb ik op dat strand ook nog een meeuw-achtige vogel gezien, gevangen in olie. Een aanslag enkele maanden geleden op een pijpleiding zorgde ervoor dat ze als een sfinx in het zand stak. 

Wat verder stond een voorovergebogen vrouw die met een stok een groot hart tekende in het half-natte zand en in dat hart schreef "Ik hou heel veel van je, mijn dochter".

En hoewel de opkomende zee het uitgeslepen hart snel weer zal wegwissen, was dat misschien wel het belangrijkste van wat ik allemaal zag vandaag.

Met alle respect voor de meeuwachtige vogel.

Ach ja/ Hell no

Trouwens, nu we het hier toch over evenwicht hebben: vind het maar eens!

Dat moment waarop de ene kracht de andere perfect in balans houdt. Die geruisloze milliseconde of millimeter, de windstilte waarbij het getrek, het geduw, even gaat liggen.

Het gekibbel, tussen krachten dus. Bijvoorbeeld het eeuwige trek-en duwwerk tussen verlangen en mogelijkheid. Soms overgoten met bedwelmende alcohol, bv die der Plicht, soms zo gesmoord en naar de achtergrond verdwijnend, naar waar het minder prikkelt en minder opvalt.

Tussen blijven of weggaan, opstaan of blijven liggen. Iets zeggen of je bek houden. Ja of nee.

Evenwicht: een momentane koorddans boven een kloof waarbij je even niet valt, een tijdelijk verstomde sumo-worsteling waarbij de dikke Aziaten hun zweterige lijven uit elkaar trekken en even in vervoering naar de lucht boven hen kijken.


Niet zo makkelijk.
Tenzij dus alcohol. Maar geen slecht woord over de alcohol.

Misschien moeten we het begrip Evenwicht loslaten en vervangen tot Een Min of Meer Comfortabele Zone. Nu eens naar links uiteraard, nu eens naar rechts uiteraard, maar nooit zo ver dat je keihard op je gezicht gaat, en als je dan toch eens op je gezicht gaat, nooit zo diep dat je niet meer kan recht krabbelen.





Enkele van de krachten in druk gevecht hier, een gevecht dat me nog al eens van mijn koorden durft blazen: Ach Ja en Hell No.














Ach Ja zegt dat het allemaal wel nog meevalt, leg je erbij neer, dat is hier Latijns-Amerika, je hebt hier geen bal onder controle en als de aarde gaat beven, zijn stipte busverbindingen net zo nuttig als kauwgum bij een bosbrand.
En bovendien heeft iedereen nog eens zijn eigen waarheid. En kijk ze eens lachen. Mensen zijn hier gelukkiger dan in België, dat weet je toch?

Dus, bek houden en lama's kijken (wat zijn ze grappig) en een beetje je best doen.





Zo spaar je ook je rug een beetje, wat nooit kwaad kan, dat wist Atlas al.

En (weigeren te) aanvaarden dat irritant veel kinderen tegelijk op mijn rug willen klimmen, dat de 4-jarige Raymi me in het gezicht heeft gespuwd, dat het heiligenbeeld van de Maagd Maria meer kost dan een lagere school, dat we geen geld hebben om de zonderlinge Cusi een begeleiding op maat te geven, dat auto's soms moordlustig en mannen soms hardhandig zijn, dat er een stokoude man elke avond tot diep in de nacht in een portaal (het lijkt verdomme enkel aan mij) beverig om geld en eten, wel ja, smeekt, en ik hem al enkele keren pannenkoeken in een doggy bag gegeven heb, maar ook al enkele malen heel kordaat “NO” gezegd heb, daarbij mijn fucking wijsvinger en duim tegen elkaar tot een gedecideerde cirkel naar beneden drukkend, ter beklemtoning van deze NEE, en ik dan even in de bijzondere emotie terecht kom waarbij ik zowel trots op mezelf ben als van mezelf moet walgen en dat ik om dit allemaal te vermijden soms aan de andere kant van de straat ga lopen.

Minzaam of kwaad? En wat met het evenwicht?

Ach ja. Of Hell no?

Ach ja. Maar het is zeker niet het antwoord op deze vraag. 
In het beste geval een antwoord op het onmogelijke antwoord op deze vraag.



PS: de meeste lama's zijn wel echt grappig
PS: Het prachtige, zij het niet meteen unaniem rooskleurige boek Reis naar het Einde van de Nacht van Céline speelt mee bij deze beschouwingen
PS: Jipee-ka-ja-jee