Nu is me hier een poosje geleden het volgende voorgevallen

Nu is me hier een poosje geleden het volgende voorgevallen.  Moet je horen. Ik verzin dit niet.


Ik stond afgelopen dinsdag met mijn moto (al denk ik dat ik eigenlijk brommer hoor te zeggen, want het een semi-automatisch & weinig stoer geval, dus zonder blinkend chroom, laat staan flosjes, maar laat ons dat omwille van de poëzie even vergeten) te wachten voor een rood licht op een drukke verkeersader in Bogota, waar het spitsuur en het forensisme de boel al aardig hadden doen dichtslibben. Ik was, concreter gesteld, op weg naar mijn job.

Om redenen die voor mijzelf nog niet helemaal duidelijk zijn (al komt ‘voorzien in de elementaire basisbehoeften’ wel dicht in de buurt) ben ik sinds kort leerkracht in Bogota. Meer bepaald leerkracht Engels, en, vooruit/waarom ook niet/god beware, Frans. Over de eerste kunnen we nog discussiëren, maar de tweede opdracht is de waanzin voorbij. Het duurde dan ook even voor ik doorhad dat mijn baas, een goedlachse Ivoriaan Met Een Businessplan, niet aan het moppen was maar mij wel degelijk uitzond als leerkracht Frans. Mijn accolades “dat ik uit het Nederlandstalige deel van België kwam” (Ah bon) “dat ik echt wel enkel de basis beheers” (Bof) en “ kan overleven in het Frans, maar niet veel meer” (Très bien) werden breedlachs genegeerd door deze Afrikaanse krijger, waardoor het niet zonder zorg was dat ik aan deze arbeid begon.  Al kreeg mijn al wankele zelfvertrouwen inzake de taal van Molière meteen een extra deuk toen bleek dat vlak ik voor eerste Franse les nog in allerijl het de vertaling van het woord “aanleren” moest googelen. Leerkracht Frans. Het moet geleden zijn van het moment waarop een pizza met mayonaise triomfantelijk “smakelijk senor” voor mijn neus werd gezet in een eettent op de grens van Brazilië met Peru, dat ik mijn wenkbrauwen nog zo hoog heb opgetrokken in Latijns-Amerika. Al komt het moment waarop m’n bloedeigen broer me met uitgestreken gezicht vertelde dat hij “enkel slaatjes wilde eten” tijdens zijn bezoek aan mij in Rio de Janeiro aardig in de buurt.  

Enseigner, zo bleek. Aujourd’hui je vais vouzenseigner le francais, m’sieur.

Mijn ex-leerkrachten Frans uit het middelbaar zonder Alzheimer zullen zich ongetwijfeld hetzij ongelovig voor het hoofd slaan, hetzij zich woelend omdraaien op de plek waar ze zich bevinden, hetzij om over hun rug gaan van het lachen. Maar bon.  Leerkracht Frans. Zo gezegd, zo opgedragen, zo gesnoven.


Maar terug over naar m’n verkeerslichten op dinsdagavond. Ik moest Engels gaan onderrichten aan 3 sympathieke gozers in een software-bedrijf en ik was, zoals het een goede leerkracht betaamt, in m’n hoofd alvast de les aan het voorbereiden (What do you like about Colombia? Tell me about your family. Where would you like to go on holiday? En daarna volmaken met wat present perfect vs simple past-dingen)Bogota heeft slechts af en toe een leuk klimaat, dus het was niet onlogisch dat ik dit in de semi-regen deed, en dus, op dat moment,  vanaf mijn brommer (want, laat ons eerlijk zijn, het is geen moto) wachtend tot het rode licht zou omslaan in een groen licht. En toen zag ik hem.

Een straatventer.

Hij had een vol dienblad vast en slalomde tussen de stilstaande auto’s door om zijn goederen, die er ijsjes/pudding-achtig uitzagen, te slijten. Dit is iets heel normaal in Colombia (en bij uitbreiding in gans Latijns-Amerika): de informele economie. Het wordt informeel genoemd, omdat deze lui een handeltje drijven met soms niet veel meer dan een zak lekstokken, waarbij het feit dat ze hiervoor geen bvba hebben opgericht noch belastingen betalen, door de institutionele vingers wordt gezien.

Mensen dus die met allerhande goedjes (kazen, mandarijnen, selfie-sticks) op openbare plaatsen lopen te leuren. Je kan het zo gek niet bedenken (autospiegels, tandenborstels, vogelepick-borden) of het wordt wel ergens onder je neus of door je raam aangeboden. Op straathoeken, vanuit een bakfiets, met een kartonnen doos onder de arm geklemd, op de bus, op een straatberm. In dit geval werkte de man dus aan stoplichten, de 3 volle minuten tussen rood en groen benuttend om een inkomen te genereren. Wat moet je anders, soms, in Latijns-Amerika.

Aangezien ik me op een gemotoriseerd voertuig bevond, en ook niet zo gek graag ijsjes of puddingachtige dingen eet in de miezer, te midden van dolgedraaid verkeer en uitlaatpijpen die een loopje nemen met het Kyoto-verdrag, had ik mijn besluit alvast genomen: ik zou de man die over luttele seconden voor mijn bolide zou opduiken met zijn producten, met mijn vriendelijke “no, gracias”-lach (innemend, respectvol maar toch gedecideerd) toeknikken. Voor mij even geen puddingachtige ijsjes, dank je.

Ik was alvast begonnen met naar het rode licht te kijken en te wachten tot het zou verspringen toen het gebeurde. De man, op een meter voor mij, in het midden van de weg, zeeg neer.

Hij viel. Pang. Stortte ter aarde. Zijn plateau vol ijsachtige puddinkjes (gedecoreerd met zo’n waferkoekjes die in het beste geval naar niets, en in het slechtste geval naar karton smaken) donderde op de grond. Splash. 2 dozijn bekertjes vol puddingachtige ijsjes zonken neer op het vochtige asfalt, omgeven door uitlaatgassen, ronkende motors en ongeduldige bestuurders.

Vlak voor mijn neus.

Kon het triester? Samen met crème leek het alsof ook de man over de weg wegdroop. Zijn uitdrukking, zijn hele houding, zijn welja... hele.... léven was dramatisch. Hij leek op een standbeeld van Rodin dat “De Wanhoop”  heette.  Hij zat gehurkt, het hoofd gebogen en staarde triest naar de grond, waar zijn inkomen wegvloeide.  Het was een Griekse Tragedie die zich voor mijn ogen ontvouwde.  In de nacht, in de regen, in het midden van de gassen van een tijdelijk tot stilstand gekomen verkeersas, in een hectische en oneerlijke stad, zat een man die als job (als job!) aan de open ruiten van auto’s ijsjes (of puddinkjes) verkocht om staande te kunnen blijven, op zijn knieën. Het was pure droefenis. En het sloeg op mij neer.  Als ik een mens was, moest ik iets doen. Ik was een mens, toch?



Ik checkte het licht. Nog steeds rood. Ok, ik had misschien nog enkele seconden. Ik tastte in mijn linker broekzak (waar ik mijn snel vastgrijpbaar kleingeld bewaar, maar hou het stil) en viste er enkele briefjes uit en stak hem toe. Hier, hombre, que pena, wat een pech, ik wil graag helpen. De man richtte zich op, nam mijn geld (een relatief royale bijdrage) aan en prevelde iets als dat God me zou zegenen. 

Het geen nu gaat komen is misschien niet zo zuiver, maar wel menselijk. Ik hoef het eigenlijk niet toe te geven, maar ik doe het toch, in naam van de...ja, van wat eigenlijk. Hoor toe.

Pal op de rijstrook naast mij stond een Transmillenium bus, stampensvol mensen. Zij waren uiteraard getuige geweest van het jammere voorval van de man-met-het-dienblad. Ik beken eerlijk dat ik (of was het mijn ego?) een tikkeltje blij was dat ik een publiek had dat getuige was voor mijn nobele daad. Dat een honderdtal samengepropte mensen mijn actie konden zien vanuit hun verlichtte bus. Dat ik hun TV programma was, genaamd “Goedheid”.  Dat enkele mensen elkaar aanstootten en “wow, kijk daar, zo lief” zeiden. Ik zag de krantenkop al: “Motorrijder helpt werkwillige ongeluksvogel midden op de weg”. Of de vrouw die thuiskomt na haar werk: “Carlitos, moet je nu weten wat ik daarstraks vanuit de bus zag...sjonge, er bestaan dus tóch nog goede mensen”.  Het licht sprong op rood en ik sjeesde weg. 

Ik beken eerlijk dat ik/mijn ego op dat moment graag had gewild dat dezelfde bus bij een volgend rood licht opnieuw naast mij zou plaatsnemen en dat de mensen me bewonderend zouden aankijken, me minzaam zouden toeknikken, of een voorzichtige duim zouden opsteken, ofzo. Waarop ik dan bewust nonchalant en vervuld-van-al-mijn-goedheid, mijn lippen sympathiek getuit de schouders zou ophalen. Zoiets. Maar helaas, die vlieger ging niet op, het spektakel was afgelopen. 

Al bleef het goede gevoel nog nazinderen. Ik vertelde in de dagen nadien mijn vriend en vriendin over het voorval en mijn daad, die door hen in beide gevallen als nobel beschouwd werd, iets, laat ons een kip een kip noemen, wat ik eigenlijk wel een terechte beschouwing vond.


Enkele dagen later zag ik een nieuwsitem op internet over een bedelaar die gemiddeld 150 euro per dag verdiende in een rijke zone van Bogota. Dit kwam door de gruwelijke vleeswonde aan zijn been die hij uitgebreid toonde en die zelfs het meest versteende hart van een voor het stoplicht staande autobestuurder tot medelijden en een navenante donatie overhaalde. Zijn toegetakelde been bleek een masker, gemaakt van allerhande kunststoffen. Wow, dacht ik.

Aangezien ik me op het internet en tussen de filmpjes bevond, werd zoals gebruikelijk en buiten mijn wil meteen een ander filmpje gesuggereerd: “El Lagrimon”, of “de Bleitkous”. Mhm.  De bleitkous. Ik klikte.

Blijkt:


“Sinds 2 jaar dwaalt El Lagrimon de straten af van Bogotà, met van alle producten, vaak op een dienblad, waarmee hij door stilstaand verkeer laveert. Die laat hij dan bewust vallen, waarna hij een theatrale houding aanneemt, die verlies en wanhoop uitdrukt. Onwetende omstaanders zien het voorval met lede ogen aan, voelen hun hart breken en geven een empathische bijdrage aan zoveel pech. Op deze wijze verdient El Lagrimon 3 keer zoveel als wanneer hij de producten aan de gangbare prijs zou verkopen”.

Er volgden foto’s van exact dezelfde aard als de scène die zich voor mijn ogen had afgespeeld. Ik weet het niet zeker maar ik ben geneigd te zeggen “dat mijn mond openviel”. El Lagrimon. Jakkesjandorie.  

Beetgenomen.


Vervolgens bevond ik me in een moeilijk te ontwarren en fascinerend mix van emoties, met minstens volgende componenten: verontwaardiging, afkeer, domheid, logica, slimheid, sluwheid, begrip, respect, grappigheid en waardigheid. En berusting. En schoonheid.

Beetgenomen door een man die geen ijsjes/puddinkjes maar medelijden verkoopt door ijsjes/puddinkjes op het asfalt te smashen.  El Lagrimon.


Nee, zwart-wit zou ik het allemaal niet durven noemen. 


"Hopelijk zullen we op een dag vergeven kunnen worden"


In Bojayà, aan de oevers van de Rio Atrato, te midden van de woeste jungle van Choco, werd op 6 december van vorig jaar een nieuw hoofdstuk geschreven in de woelige geschiedenis van het land. Ditmaal geen zwarte pagina vol gruwel, bloedvergieten of drugs, maar een broos, nieuw blad, een van herstel en gerechtigheid. 


Op deze dag, tijdens een herdenkingsplechtigheid georganiseerd door de slachtoffers van het dorp Bojayà, erkende de FARC haar verantwoordelijkheid voor wat het ergste bloedbad is uit de geschiedenis van de Colombiaanse burgeroorlog

Het is intussen 14 jaar geleden, maar het staat nog altijd op het netvlies van de overlevenden gebrand. 










Op 2 mei 2002 vonden in het dorp hevige gevechten plaats tussen de 57ste eenheid van de FARC en leden van de paramilitaire AUC. Deze laatsten werden gesteund door officiële regeringstroepen, al wordt deze alliantie in het gevecht tegen de guerrilla al zo’n 30 jaar lang zo niet verzwegen, dan toch in alle toonaarden ontkend.

Het bloedblad dat daarop volgde, staat in pijnlijke kloven gegrift in het geheugen van Bojaya.

In Bojaya wonen ongeveer 5000 mensen in de stadskern, met nog eens 5000 in de periferie. Het is een klein en elementair stadje gelegen in Choco, een onderontwikkelde, rurale streek van Colombia die grenst aan Panama. De populatie bestaat vooral uit Afro-Colombianen en Emberà  indianen. Deze laatsten zijn de oorspronkelijke bewoners van het gebied. Ze wonen er al van voor de Spaanse verovering en leven volgens hun eeuwenoude riten. Vanaf  hun kleine nederzettingen langs de oevers van de lange, kronkelige rivieren trachten ze de oprukkende moderniteit, waar ze geen deel van willen uitmaken, zo goed mogelijk af te weren.


Hoewel het ontoegankelijk en straatarm is en vele basisbehoeften ontbeert, is Choco al jarenlang het toneel van confrontaties tussen paramilitairen en guerrilla's. Die strijden te midden van de ondoordringbare jungle om de controle van het gebied, een gebied dat strategisch van belang is voor de drugstrafieken richting Panama, Mexico en daarna de VS.

De verpauperde bevolking, aan haar lot overgelaten door Bogotà, ligt in de vuurlinie van een conflict dat het hunne niet is. Een conflict dat ver afstaat van hun dagelijkse worsteling om te overleven, om brood en drinkbaar water op de plank te krijgen, om een beetje content te kunnen zijn.










In de dagen voorafgaand aan het bloedbad geraakten de gemoederen tussen de paramilitairen en de guerrilla steeds verhitter. Delen van de stadskern van Bojaya, waar de inwoners zich verschanst hadden, werden door de paramilitairen als menselijk schild gebruikt. In de ochtend van 2 mei reageerde de FARC. Het schoot verschillende cilinderbommen af. Eén hiervan trof een kerk waar honderden dorpelingen toevlucht hadden gezocht.



De explosie was verwoestend.  Er stierven 119 personen, waarvan 48 kinderen. Bijna alle anderen slachtoffers waren ouderlingen. 98 mensen werden ernstig verwond. Het waren niet alleen de granaatscherven die onuitwisbare sporen nalieten. De hierop volgende gedwongen vlucht van meer dan 1000 families  vernietigde de levensprojecten van een hele generatie.



Dat FARC naar Bojaya reisde om daar, deemoedig en zonder opsmuk, haar verantwoordelijkheid voor deze tragedie op te nemen, is historisch.

Op 6 december 2015 om 12u landde een helikopter van het Rode Kruis in Bojaya, met daarin, onder leiding van de beruchte Pastor Alape, een delegatie van de FARC. Er waren internationale waarnemers die instonden voor de veiligheid. De guerrillero's kwamen ongewapend, in burgerkledij en sober, in de lijn van het gebeuren. Op hun gezichten stond spanning te lezen. Ze zouden een gekwetste gemeenschap onder ogen moeten komen, die zich lankmoedig bereid toonde dit berouw te ontvangen.

Gedurende een heel jaar hadden afgevaardigden van de slachtoffers, getuigen en medewerkers gewerkt om deze ontmoeting voor te bereiden. Het moest een intieme ontmoeting worden, zonder journalisten. Zodat het vertrouwen, de menselijkheid tussen de betrokkenen in alle oprechtheid kon openbloeien. Bij aankomst stak de delegatie van de FARC snel het voorplein over naar de tempel, waar een eerste ontmoeting met de nabestaanden plaatsvond.


De scenografie van de plechtigheid, een ruïne te midden van de jungle, had een dramatisch effect. Losgeschoten onkruid hing woekerend over de restanten van wat ooit een medisch centrum was, voor het verwoest werd door het vuur en het isolement. Het donkere woud en de geblakerde stenen waren de stille getuigen van de duistere geschiedenis van het dorp. Tegenover het podium stond een ketting van stoelen. Daar zaten guerrilleros en regeringsleden, dorpelingen en internationale waarnemers zij aan zijn. Ze vormden een publiek dat met strakke blik de afloop van het gebeuren afwachtte.

Bij aanvang besprenkelde een sjamaan van de Embera de gezichten van alle aanwezigen met gewijd water, om hun zonden uit te wassen. Eerst die van de FARC. Daarna die van de regeringsleden en tenslotte de rest van het publiek. Wat later werd in de ruïne een theaterstuk opgevoerd door de jongeren van deze gemeenschap. Het stuk stond bol van de symboliek en begon met  een hulde voor iedereen die op die verwoestende dag in mei het leven had gelaten. Tijdens het voorlezen van de namen, bogen de leden van de FARC eerbiedig het hoofd.


Daarna hieven Amazonevrouwen van de Rio Pogue hun alabaosliederen aan. Deze traditionele liederen worden aan de Pacifische kust gezongen op begrafenissen van kinderen, in de hoop dat ze mogen veranderen in engeltjes.

Vanuit de diepe pijn van de moeders stegen de klaagliederen op en bleven trillend in de warme lucht hangen. Ze moeten door merg en been zijn gegaan voor de delegatie van de FARC. In hun verzen klaagden de moeders ook de nalatigheid van de overheid aan, en smeekten om de geschiedenis niet uit te wissen.




Onder een lauwe, zachtaardige zon wachtten de ongeveer 300 aanwezigen daarna op de tussenkomst van FARC leider Alape. De grote vraag was of hij het woord “pardon” zou gebruiken. Voor de religieuze gemeenschap van Bojaya is dit woord doordrenkt van betekenis, en kent daarom geen synoniem. Evenwel, binnen de woordenschat van de FARC, wordt dit woord bijna nooit gebruikt. Want, zoals hun hoofdcommandant Timoshenko enkele maanden geleden in een interview aangaf, de term “pardon” is een christelijk concept,  terwijl zij liever over “erkenning van fouten” spreken.

Verantwoordelijkheid opnemen voor begane misdaden tijdens de oorlog is een belangrijke politieke daad in een transitionele justitie. Het is essentieel dat daders hun fouten toegeven en de hiervoor door de geschonden samenleving opgelegde straffen aanvaarden, opdat ze opnieuw zouden kunnen deel uitmaken van diezelfde samenleving.

In de herstelgerichte justitie daarentegen, is het “pardon” primordiaal, omdat het een erkenning is van de daders voor het lijden van de slachtoffers. Het is een uiting van nederigheid, van boetedoening. Juist daarom verwachtten de inwoners van Bojaya, die enkel de arrogantie van de bommen hebben gekend, dit pardon.

In de hoop dat het een balsem zou kunnen zijn voor hun wonden.

Het blijft paradoxaal. De boeren, Afro-Colombianen en inheemse volkeren uit Choco, één van de armste en verlaten streken van Colombia, worden erkend als slachtoffers door afgevaardigden van de FARC, een groep die beweert in de jaren ‘70 de wapens te hebben opgenomen om te strijden voor de armen, voor de boeren, voor de verlatenen.


Toen Alape tenslotte plaatsnam en zijn toespraak begon voor te lezen, kon je een speld horen vallen bij de aanwezigen. Het was een geladen stilte, vol vraagtekens, vol twijfels.


De guerrillaleider uitte zijn berouw, op een hartstochtelijke, bezielde manier, op een manier zoals nog nooit was voorgekomen in de geschiedenis van dit 60-jarige conflict.

De uitgesproken woorden gaven diepte aan de tragiek die ze uitademden: 

“ook wij hebben gehuild, vol huiver en erbarmen voor de onschuldige dood van zij die barmhartigheid verwachtten”.  

Tweemaal moest Alape zijn lezing onderbreken om zijn tranen te bedwingen en om zijn lichaam, trillend van emotie, te kalmeren.
Op deze oprechte uiting van schaamte en kommer volgde vanuit de gemeenschap een stilte vol mededogen.

“Sinds 14 jaar drukt een hartverscheurend gewicht op onze schouders, een last die iedereen aangaat, en ieder van jullie. Het is een schrikwekkende pijn die in het hart van elke guerrillero huist, sinds de fatale afloop van die dag, die dag die blijft nazinderen in de herinnering van allen”.

“Wij weten dat deze woorden het onherstelbare niet kunnen herstellen. Dat ze een overledene niet kunnen terugbrengen, noch het geleden leed kunnen uitwissen. Leed dat weerspiegeld wordt in eenieders gelaat hier... en door wie we hopelijk op een dag vergeven zullen kunnen worden”




Meer nog dan zijn voordracht en de belofte dat zulke gruwel nooit meer zou voorvallen, was het de oprechte houding van Alape die een soort van troost teweeg bracht bij de inwoners van Bojaya. De troost dat hoewel het verleden een onheelbare wonde was, de toekomst dat niet hoefde te zijn.


De woordvoerders van de slachtoffers lazen daarna een document voor, met daarin 3 duidelijke punten. Ten eerste, dat het geweld hen in Choco nog steeds blijft achtervolgen, en dat ze zich voortdurend in een staat van ongerustheid bevinden. Ten tweede, dat er nog andere herstelacties nodig zijn, en niet alleen vanwege de FARC, maar ook vanwege de andere 2 partijen verantwoordelijk voor het bloedbad: de Colombiaanse staat en de paramilitairen. Ten derde, uitten ze het verlangen iedereen hun territorium en hun autonomie als etnische groepering zou respecteren. 

Commissielid Sergio Jaramillo sloot de plechtigheid af met een emotionele tussenkomst. Hij herinnerde de aanwezigen eraan dat dit initiatief tot stand was gekomen in Havana, waar onderhandeld werd over een definitief einde aan de oorlog. Hij waardeerde de daad van de FARC “ten zeerste” en zei dat “ook de paramilitairen hun verantwoordelijkheid moeten opnemen, evenals de Colombiaanse overheid, voor feit dat het dorpen als Bojaya aan hun lot heeft overgelaten”

Nadien moest er verder onderhandeld worden over andere herstelgerichte maatregelen, en daarom trokken de delegatie van de FARC en de woordvoerders van de slachtoffers zich terug achter gesloten deuren.

Herstelgerichte justitie is een van de speerpunten van de transitionele justitie voor de vrede in Colombia.  Het is een soort van brug om de gedeelde menselijkheid tussen slachtoffers en daders te herstellen. Een eerste aanzet voor deze brug werd op 6 december 2015 gebouwd aan de oever van de Rio Atrato.  

Langs de ene kant was er Pastor Alape, die de moedigste daad uit zijn lange geschiedenis als guerrillastrijder stelde. Zonder wapens, enkel met woorden.

Aan de andere kant, een inheemse gemeenschap die geen wraak zocht, maar enkel wenste dat gewapende groeperingen hen in vrede lieten leven.  Dat uit de wreedheden en de barbarij die zo lang terreur zaaiden in hun streek, een vredevol, gewetensvol samen-leven kan ontstaan.



Dit is een vrije vertaling van het artikel “Ojalá algún día seamos perdonados”: FARC, verschenen op 12/12/2015 in Semana Magazine, Colombia.  http://www.semana.com/nacion/articulo/farc-ojala-algun-dia-seamos-perdonados/453289-3

Op 24 augustus werd het definitieve vredesakkoord tussen de Colombiaanse regering en de FARC in Havana, na 4 jaar onderhandelen, getekend.

Ciclovía

Elke zondag gebeurt er iets verbazingwekkends in Bogotà.



Hiermee wil ik niet de indruk wekken dat er op andere dagen, op andere seconden géén verbazingwekkende dingen gebeuren in Bogotà. 
Wel, integendeel. 


Het is...
...met haar 15 miljoen habitanten, haar onmogelijke verkeersopstoppingen, haar falende bussysteem, haar volgepropte voertuigen (waar verlopen vijftigers een micro uit hun mouw toveren en met een beatbox rond de buik gegespt een liedje beginnen te zingen in de hoop op een nikkel), met haar waanzinnige en levensgevaarlijke drugswijk (op 3 straten van het presidentieel paleis en vlak naast een grijnzende politiekazerne), haar labiele klimaat (waardoor je altijd een jas meemoet), haar variatie in sociale klassen en haar belang van opsmuk en presence, haar veelkleurige bewoners, haar veelkleurige wijken, haar jammerlijke gebrek aan toeristische bezienswaardigheden, haar buurten vol automechaniekers, haar buurten vol tweedehandsschoenen, haar buurten vol gepikte dingen, haar buurten vol Mariachi’s (op grauwe stoepen die je kan contrateren ter ere van huwelijksaanzoeken of om het terug goed te maken met je lief), haar buurten vol motels, haar buurten vol winkels (waar je blousjes van de Rode Duivels met de naam E. Hazard kan laten namaken voor een appel en een ei en met behulp van Google images)...

...een ratjetoe van verbazingwekkende dingen.

Tijdens de week lijkt Bogotà op de gigantische truck uit Mad Max: Fury Road. Met dingen die vermoedelijk van van jou zijn, stomend en verroest voortrazend, doordenderend naar god-weet-waar, terwijl jij er op je blote voeten zo maar wat achteraan ploetert, meer uit plichtsbesef dan in de realistische hoop het vehikel goed te kunnen aanschouwen, laat staan in te halen, laat staan op te eisen wat van jou is of zou kunnen zijn.

Bogotà mist heel veel. Velen willen hier eigenlijk liever niet zijn. Het is een fascinerende, lelijke, onoverzichtelijke, mooie, grauwe stad.

Maar op zondag komt er iets tot stilstand, en krijgen de rolschaatsen, de fietsen, de loopschoenen, de skateboarden vrij spel. Eventjes.

Het zit ‘m zo. Al 40 jaar sluit Bogotà op zondag een heleboel cruciale verkeersassen grotendeels af voor auto’s en gemotoriseerde voertuigen, waardoor over 125 km lang ongeveer een miljoen rollos wandelend, fietsend, skatend, joggend of rolschaatsend een frisse neus gaan halen.



De Bogotaanse Ciclovía.

Als een collectieve zucht die ontsnapt.

En hoewel ik hier vermoedelijk dreig al te lyrisch te worden (en té is nooit goed): het lijkt alsof de straten van Bogotà zich op die zondagen transformeren in een spetterende combinatie van een gigantisch straatfeest en een dynamische marathon, hierbij een energie genererend die de straten doet vibreren, buurten en wijken bruisend overstroomt en die, zeker als de zon ook nog even meespeelt, maakt dat je stomweg niet anders kan dan met een kilometersbrede en haast zwakzinnige glimlach door de menigte laveren.

Kruispunten waar enkele auto’s noodgedwongen mogen passeren, worden vakkundig in goede banen geleid door toffe jongeren met een fluo hesje en die plakaten met “stop” of “siga”omdraaien.

Tegen muren vol graffiti proberen Kuna Indianen hun veelkleurige parafernalia kwijt te geraken. Spuwende zwervers en mompelende daklozen dolen kriskras tussen de zonnebrillen, de zweetdruppels en de carbonnen fietsen door.


Op pleinen en in parken worden, omdat we het waard zijn, aerobics klassen op uptempo muziek georganiseerd. Waarbij een heleboel volgelingen, zowel volslanke huisvrouwen, bijna-oma’s als jonge vaders-met- kleuter en oogverblindende fluomeisjes de pasjes en oefeningen van de enthousiasteling op het podium even enthouisast proberen te coveren. En terwijl er zo ijverig zwetend in de lucht geslagen, gebokst en getrapt wordt, lacht iedereen. Soms zelfs open en bloot.



Naast die evenementen staat doorgaans een schare tentjes waar vers geperst sinaasappelsap, fruitsla en een occasionele appelflap aangeboden worden. 

Met, in het geval van het Parque Nacional, daarnaast een oude communist met een schuine Ché-pet over zijn grijze manen gesjord, die zijn Cubaanse strijdleuzen en Colombiaanse kritieken op metershoge plastieken flappen aan zijn fiets gemonteerd heeft. En die wat graag een praatje slaat met een Belg (in een bezweet t-shirt van het -kapitalistische- Stimorol) om zijn meningen te verhelderen en zelfs aandringt op een foto. Maar het anderzijds ook ook niet aan zijn hart lijkt te laten komen als geen haan naar zijn aanwezigheid noch zijn soms een tikkeltje gedateerde boodschappen kraait.

Op bermen ruikt het naar barbecue. Een enkeling heeft zijn rommel uit de kelder opgediept (een blender uit de jaren 90, een kapotte radio, een verpluisde knuffelbeer en wat onbestemde metalen), voor z'n voordeur gegooid, en biedt ze- "je weet maar nooit met die passerende massa" – te koop aan. 

Alsof alles even mogelijk is.

In Bogotà gaan ze goed op fietsen dus over het ganse traject staan standjes waar je je fiets kan laten repareren. 

In Bogotà gaan ze ook goed op criminaliteit dus over het ganse traject staan militairen met hun duim omhoog. Sinds de vorige president, de lichtjes uit de bocht der oorlogsmisdaden gegane Alvaro Uribe het wegennetwerk in het grootste deel van het land weer min of meer veilig gemaakt heeft, is het de gewoonte dat militairen in het ganse land langs de weg met hun duim omhoog staan, waarmee ze willen zeggen “we zorgen voor  jullie”. Hetgeen een hele mooie emotie genereert als je hen passeert, alsof, ik weet niet, Yes We Can- iedereen effe Rode Duivel is, maar dan belangrijker, want omwille de transformatie, de verrijzenis, het omhoogstuwen van een gans land dat tot voor kort mondiaal uitgespuwt werd.

En hetgeen door mij altijd met een bijna-krop-in-de keel, half dichtgeknepen billen van emotie maar vooral met een enthousiaste dikke duim terug wordt beantwoord. 

Moet je horen: als ik op zondag door de straten fiets of jog voel ik dingen opborrelen die ik al sinds lang niet meer heb mogen voelen opborrelen. Het is op het randje van infantiel te noemen. Ik krijg zin om haasje over te spelen met koddige vrouwtjes die in dappere sportschoenen en wollen trainingsbroeken hun ochtendkilometers afstappen. Ik krijg zin om te fluiten of luidkeels mee te zingen met de muziek op m’n Ipod. 

Ik krijg zelfs zin om de plateau van limonadebekers van een straatventer omhoog te shotten, knal de lucht in, de plastieken bekers en hun zoete vocht een seconde onbeweeglijk hangend in de zonnestralen alvorens daarna neer te kletteren op het warme asfalt, want, en nu komt het, het lijkt wel alsof de enige reactie van de man op zo’n manoevre een brede glimlach en een omhooggestoken duim kan zijn.


Yep. De ciclovia op zondag in Bogotà zorgt ervoor dat de stad en haar inwoners er weer een weekje tegen kan. 


Born in a Crossfire Hurricane (English)


“What I’m asking myself is this: How would Mick Jagger feel after such a concert”

Juan Antonio, the taxi driver who is transporting me to the bus terminal, looked at me with old, weather worn eyes through the rear-view mirror.

I nodded. The special thing was that this was the exact same question that went through me, when I walked home yesterday after the concert of the Rolling Stones: how does Mick Jagger feel after giving a concert for 60.000 people in Lima. I said to Juan Antonio that this was the exact same question that I had, yesterday, wading through the nightly mass of people, trying to reach a cab to get back home, by which “home” meant a temporary bed in a (stuffed with 4 boisterous Ecuadorean drinking lads, all with porky faces, but this just by the way) shared dorm in a hostel in Miraflores.

Miraflores is a neighbourhood in Lima where, besides foreign passer-bys, also the most moneyed people live. Well-dressed-up fiftiers parade in brand clothing next to the seashore and show off with what they tend to own. Little dogs are wearing dresses and there are courts where fathers in white polo shirts play tennis with their sons and their I-phones on Sunday mornings. There are green parks that look like they have been picked out of Alice in Wonderland.

A beautiful, safe, gold-plated world.

In a mostly crazy metropolis, consisting mainly of sandy brackish hoods, thrown out over skimpy desert-like grounds full of slumps, where dust-swallowing inhabitants paint the names of the presidential candidates on the walls of their sheds, in exchange for a few cents and in the best case, a temporary illusion. 

One of the favourites for the upcoming presidency is Keiko Fuyimori. Her father is a former president of Peru during the nineties and currently sitting out a 14-year prison sentence thanks to some crazy terrors he implemented during his legacy. 

Like the forced sterilization of around 200 000 indigenous people.



Juan Antonio had picked me up at the street in front of the hostel, when I waved at him. “Don’t pay more than 15 soles for a taxi”, the friendly receptionist of the hostel warned me. I had flopped down my backpack at the backseat and we had started driving.

“Went to the concert, right?”, he asked me after a while. I nodded. A few weeks ago a noticed that the Rolling Stones were going to concert in Lima for their America Latina Olé Tour. A small decade ago, I experienced them in Belgium with my father. It had been a memorable evening and the overwhelming presence of Mick Jagger’s kicking ass was still somewhere in my retinas, though not burned.

Since in times like these, it is not profitable anymore to have your savings on a bank account, I decided to play it smart and invest my New Years money in the Stones in Lima. A, though I mention it here myself, very wise decision.

The concert, in the monumental stadium Estadio Monumental, had been a Strike, a Direct Hit, straight in the rose. Unfortunately, this could not be said about the access towards the spectacle, with crazy overturned traffic jams and, desperate honking and kilometre long improvised queues, of which the organisation assumed that these would organize themselves in calm and order, without instructions whatsoever, that the Invisible Hand of the Mass would regulate itself. Well, bummer.



The most expensive tickets (sold out in 50 minutes) were shamefully expensive (4 Peruvian minimum wages), the cheapest still very expensive.








Mick Jagger, with his 71 springs of age, jumped around like a young foal in a too-short T-shirt and crowing like a rooster used to be the number one.












Keith Richards, like always chuckling from out of (one or) another universe, dressed up in something I can express the best as a “blinking coat with tail”, kicked out the guitar licks in the loony enthusiastic crowd like serpentines. Ron Wood presented himself in the cloths and the red sneakers of his hipster- grandson and was His Bonkers Self. And Charlie Watts (neutral shirt, neutral pants) at last, with his stiff smile, expressed the “well hell yeah” emotion, like he already wanted to disassociate in the sixties from this cracked up scum, but that now it was way too late, and that he could afford just enough respect for humanity and the world to take his responsibility as The Drummer of The Stones to not unnecessarily destroy the party.

So, a tremendous success. 60 000 Peruvians and specially flown over Ecuadorians and the occasional foreign passer-by. Simply. Went. Nuts. Man.



“No, I don’t know if I would like to swap places with him”, Juan said.

“It must be a hard life. This Mick Jagger, he gets recognized simply everywhere. Can not even cross the street or gets clamped for autographs and photos and so on. How can you stay friendly that way? I totally do understand that such famous people now and then get angry, annoyed and thick-headed. They also have the right on a normal life, right? No, I don’t know if I would like to swap places with him”, Juan said. “For 2 weeks maybe. Yeah, for 2 weeks. Not any longer”

We had been chatting for around a quarter about the Rolling Stones in his cab. Juan knew loads of stuff about the group. He told me that Mick and Keith at the end of the sixties had been kicked out twice of an exclusive, super expensive hotel in Lima, thanks to loony behaviour and shenanigans, like heavy drug use and strolling down the streets naked. “Just after their former guitarist, Brian Jones, had died”. He kept throwing anecdotes in the air. He liked the Stones a lot. Had been following them for almost all their career, and had a friend that had almost all their records.

“It was the first time they gave a concert in Peru”, he said. “And probably the last time”, I said. Because though Mick Jagger with his swirling body from a distance still looks like a 18-year old, they ain’t gettin no younger. Nobody does.



“Probably they won’t have to do it for the money anymore”, Juan said. “No, indeed”, I said. “Maybe it’s more out of passion for the music”, I said, while I looked out of the window at the busy pavement full of people. Looked like the working day for the offices in Lima was done. “Mja”, said Juan. “I bet they earn a lot for an evening like this”, I said. “Mja”, said Juan. “Absurd”, I said. “Mja”, said Juan. After that, the both of us kept quiet for a moment.

He told me that Peruvian society is a very rough class-society, that a friend of him who works in a restaurant in Miraflores sometimes witnesses couples paying 1000 dollar for a bottle of red wine, and that for a long time he simply could not believe this. And that everybody wants to be as white as possible. And that there is a lot of racism in Peru.

“Absurd”, I said.

The first and the last concert of the Rolling Stones in Peru. Juan Antonio, light-brown skin and pure friendliness, fan since the beginning with an almost encyclopaedic knowledge of the band, driving around in a taxi in Lima, from out of Miraflores, straight through the class- society, with a Belgian passer-by.

I had assumed that he also had attended the concert, as he was die-hard Stones fan.

But the tickets had been too expensive.

Tips won’t solve this problem.


Sometimes you can only shake people’s hands.



Born in a Crossfire Hurricane


“Wat ik me afvraag, is hoe Mick Jagger zich voelt na zo’n concert”

Juan Antonio, de taxichauffeur die me naar de busterminal bracht, keek me met verweerde, oude ogen door de achteruitkijkspiegel aan.

Ik knikte. Het speciale was dat dit exact dezelfde vraag was die door mij ging, toen ik gisteren naar huis wandelde na het concert van de Rolling Stones. Hoe voelt Mick Jagger zich na  een concert voor 60 000 mensen in Lima. Ik zei aan Juan Antonio dat dit exact dezelfde vraag was die ik had, gisteren dus, in de nachtelijke mensenzee, trachtend een taxi te bemachtigen om weer thuis te geraken, waarbij thuis een tijdelijk bed in een (met 4 luidruchtige Ecuadoriaanse drinkebroer- Stones fans, allen met varkenskopjes, doch dit terzijde) gedeelde kamer in een hostel in Miraflores was.

Miraflores is een buurt in Lima waar, naast de buitenlandse passanten, ook de meest begoede mensen wonen. Opgedirkte vijftigers flaneren er in merkkledij langs de kustlijn en pronken met wat ze zoal bezitten. Hondjes dragen er kleedjes en er zijn tennisvelden waar vaders in witte polos met hun zonen en hun I-phones op ochtenden gaan tennissen. Er zijn groene parken die uit Alice in Wonderland lijken te zijn geplukt. 
Een mooie, veilige, vergulde wereld.

In een doorgaans geschifte metropool, die voor het grootste deel uit zanderige brakke buurten bestaat, opgeworpen tegen schrale woestijngronden vol ellelange sloppenwijken, waar de inwoners stofhappend de namen van presidentskandidaten op hun krotten schilderen, in ruil voor wat centen en in het beste geval een tijdelijke illusie.

Een van de favorieten voor het nakende presidentsshap is Keiko Fuyimori. Haar vader was in de jaren 90  president en zit momenteel een viertienjarige gevangenisstraf uit wegens wandaden. Zoals het gedwongen steriliseren van ongeveer 200 000 Indigenas. 






Juan Antonio had me opgepikt aan het hostel toen ik hem toezwaaide. “Niet meer dan 15 soles betalen voor een taxi” had de beminnelijke recepcioniste van het hostel me op het hart gedrukt. Ik had m’n rugzak neergeploft op de achterbank en we waren beginnen te rijden.

“Naar het concert geweest?” vroeg hij na een poosje. Ik knikte. Ik had enkele weken geleden gezien dat de Rolling Stones gingen concerteren in Lima voor hun America Latina Olé Tour. Een kleine decenium geleden had ik hen in België met mijn vader meegemaakt. Het was een memorabele avond geweest en de baldadige presence van Mick Jagger’s kicking ass, stond nog steeds ergens op m’n netvlies, zij het niet gebrand. Omdat het in deze tijden niet meer loont geld op je spaarrekening te laten staan, had ik dan ook besloten eieren voor mijn geld te kiezen en mijn nieuwjaarspré in de Rolling Stones in Lima te investeren. 
Een, al zeg ik het zelf, uiterst wijze beslissing.

Het concert, in het monumentale stadion Estadio Monumental, was een voltreffer geweest. Hetgeen helaas niet gezegd kon worden van de toegang ertoe, met dolgedraaide files, wanhopig getoeter en kilometerslange geimproviseerde wachtrijen naar de respectievelijke tribunes, waarbij er door de organisatie gemakshalve van werd uitgegaan dat dit zonder instructies of hekken wel ordentelijk zou verlopen, dat de Onzichtbare Hand van de Mensenmassa zichzelf wel zou reguleren. Wel, mis poes. 

De duurste tickets (in 50 minuten uitverkocht) waren schandalig duur (4 Peruviaanse minimum maanlonen), de goedkoopste nog altijd heel duur.





Mick Jagger, 71 lentes jong, hostte in te korte t-shirt rond als een jong veulen en kraaide als een haan die het gewoon was de voorste te zijn. 


Keith Richards, gewoontegetrouw grijnzend vanuit een (of) ander universum, getooid iets wat ik nog het best kan omschrijven als een “blinkende mantel-met-staart”, keilde de gitaarriffs in de dolenthousiaste arena als serpentines. Ron Wood, uitgedost in de kleren en rode sportschoenen van zijn hipster-kleinzoon was zijn verknipte zelf. En Charlie Watts (neutrale T-shirt, neutrale broek) straalde met zijn stroeve glimlach de “ach ja- emotie” uit alsof hij zich eigenlijk al vanaf de jaren 60 had willen distancieren van dit gespuis maar dat het nu feestelijk te laat was, en hij nog net genoeg respect voor de menselijke soort/de wereld kon opbrengen om zijn verantwoordelijkheid te nemen als drummer van de Stones en zo de festiviteiten niet nodeloos in het gedrang te brengen.

Een succesnummer dus. 60 000 Peruvianen en hiervoor speciaal overgevlogen Ecuadoreanen en de ocasionele buitenlandse passant gingen. Gewoon. Uit. Hun. Dak. Man.


“Nee, ik weet niet of ik zou willen wisselen met hem”, zei Juan.

“Het moet geen makkelijk leven zijn. Die Mick Jagger, die wordt overal herkend. Kan niet over straat lopen of hij wordt aangeklampt voor handtekeningen en fotos en zo. Blijf dan nog maar eens vriendelijk. Ik begrijp best dat zo’n bekende mensen dan soms agressief of bot worden, zelfs tegen hun fans. Zij hebben toch ook recht op een normaal leven. Nee, ik weet niet of ik zou willen wisselen met hem”, zei Juan. “Voor 2 weken, misschien. Ja, voor 2 weken. Niet langer.”

We hadden al zo’n kwartier liggen babbelen over de Rolling Stones in de taxi. Juan bleek enorm veel te weten over de groep. Hij vertelde me dat Mick en Keith eind jaren zestig tot twee maal toe uit een peperduur hotel in Lima getrapt waren wegens schabouwelijk gedrag, waaronder druggebruik en naaktlopen. “Toen hun vorige gitarist, Brian Jones, net gestorven was”.  Hij reeg de anekdotes aan elkaar. Hij hield enorm van de Stones. Volgde hen al bijna heel hun carrière, en had een vriend die vrijwel alle platen bezat.

“Het was de eerste keer dat ze een concert in Peru gaven”, zei hij. “En waarschijnlijk de laatste keer”, zei ik. Want ook al ziet Mick Jagger er vanuit de verte met zijn kolkende lijf nog steeds 18 uit, ze worden er niet jonger op. Niemand trouwens.


“Ze moeten het waarschijnlijk niet meer voor het geld doen”, zei Juan. “Nee, inderdaad” zei ik. “Misschien is het eerder vanuit een passie voor muziek”, zei ik, terwijl ik uit het raam keek naar de drukke voetpaden vol mensen. Het leek alsof de werkdag er voor de kantoren in Lima opzat. “Mja”, zei Juan. “Ze zullen wel veel verdienen voor zo’n avondje”, zei ik. “Mja”, zei Juan. “Absurd”, zei ik. “Mja”, zei Juan. Daarna zwegen we allebei.

Hij vertelde me dat de maatschappij in Peru een keiharde klassenmaatschappij is, dat een vriend van hem die in een restaurant in Miraflores werkt soms koppels 1000 dollar ziet betalen voor een fles rode wijn, en dat hij dat lange tijd niet kon geloven. En dat iedereen zo blank mogelijk wil zijn. Er dat er heel veel rascisme is in Peru.  

“Absurd”, zei ik.

Het eerste en laatste concert van de Rolling Stones in Peru. Juan Antonio, lichbruine huid, de minzaamheid  zelve, fan van het eerste uur met een haast encyclopedische kennis van de band, die een taxi rondreed in Lima, vanuit Miraflores, doorheen de klassenmaatschappij, met een Belgische passant, een Belgische flaneur.

Ik had aangenomen dat hij ook naar het concert gegaan was, als rasechte Stones fan.

Maar de tickets waren te duur geweest.

Fooien lossen dit niet op.


Soms kun je alleen maar mensen de hand schudden.